Hazenbeet

Hazenbeet: tegengif voor honden en eigenaren

(Eerder verschenen als Lure-bite, gevraagd als een specifiek Deerhound-gerichte bijdrage voor het verenigingsblad Field Advisory News (3) Sept/Oct 1999 van de American Sighthound Field Association.)

 

Er zijn twee bezwaren die voor een deel verantwoordelijk zijn voor het kleine aantal Deerhounds die meedoen aan kunsthaas-coursing;

1 : “Ze hebben geen voorbereiding nodig.”

2 : “Het is een gevaarlijke sport”.

Dat is in wezen ironisch want als een sport gevaarlijke kanten heeft, dan zal de juiste voorbereiding die gevaren moeten minimaliseren.

Het eerst bezwaar wordt tegengesproken door de moderne wetenschap over de noodzaak van de juiste voorbereiding en training, zowel geestelijk als lichamelijk. Dit geldt voor alle atleten – dierlijk zowel als menselijk. Dan hebben we het over training die een betere bescherming tegen gevaren biedt door herhalende praktische ervaring.

Het tweede bezwaar wordt tegengesproken door het basis principe van kunsthaas-coursing, dat wil zeggen een kunstmatig atletische sport voor windhonden zonder de gevaren van hun originele werk. Het is de eerste plicht van de organiserende instantie om te zorgen dat de bodem en het parcours veilig zijn. Het spreekt voor zich dat deelnemers daar ook zelf toezicht op moeten houden.

Lichamelijke training (en de daarbij gepaard gaande geestelijke training) wordt al lang beschouwd als heilzaam voor de jeugd die deelneemt aan allerlei sport activiteiten. Velen van deze jongeren hebben geen specifieke aanleg daarvoor, maar de samenleving heeft duidelijk onderkend dat regelmatig sport en spel belonend zijn ten opzichte van de ontwikkeling van geest en lichaam, ook voor volwassenen. Die beloning heeft bepaalde langdurige effecten; het verbeterd de fysieke vaardigheden, de gezondheid en een goede conditie. Alsook een kortdurend effect, het gevoel van geluk en welzijn. Het gebrek aan regelmatige beweging kan negatieve effecten hebben zoals het verlies van optimale ontwikkeling en gezondheid en het verlies van fysieke vaardigheden. Dit is bijvoorbeeld duidelijk herkenbaar aan de ‘natuurlijke atleten’ die bepaalde lichamelijke aanpassingen hebben zoals snelle lopers – windhonden. Als ze de eerste 12 maanden van hun leven aan de riem zijn gehouden, of van regelmatig vrij spel met hun leeftijdsgenoten zijn onthouden, zullen ze de gevolgen van die verwaarlozing tonen. Daardoor kunnen ze zelfs de motivatie verliezen om te rennen. Motivatie, die essentieel is voor het absolute succes van de menselijke atleet is meestal de wens om te winnen, dat is in feite de beloning zelf. Zelfs als de sport vervelend is geworden, in het bijzonder als het pijnlijk is geworden. Motivatie die absoluut essentieel is voor de honden-atleet, zonder welke het niet kan en wil deelnemen, is enkel het plezier in deelnemen. Wanneer het vervelend of pijnlijk wordt, omdat hij vrij en onafhankelijk is in tegenstelling tot de gebruikshond, zal de windhond meestal opgeven.

Eenvoudig gezegd, mensen lopen voor een beloning, honden worden beloond door te lopen.

 

De kunsthaas is in vergelijking met de echte prooi van windhonden, een armzalig ding. Het kan de opwindende vlucht van wild: zoals een hert, antilope of gazelle, niet evenaren. Ook heeft het niet de aantrekkingskracht van een vluchtend haas. Daarom is het raadzaam, in het bijzonder bij die windhonden zoals de Deerhound, die niet de doelbewuste intensiteit bezitten van rassen zoals de Whippet, om ze op een zo vroeg mogelijk leeftijd op de kunsthaas in te prenten.

Een beetje jeugdige kunsthaas-verslaving kan wonderen doen!

 

Deerhound eigenaren die uiteindelijk besluiten om toch eens mee te doen aan coursing, waarschijnlijk met een volwassen hond die vaak in de showring is geweest, mogelijk een onvolwassen hond, of als gevolg van die bijzonder onverstandige opvatting leidend tot overbescherming – nadat ze hun hond al twaalf maanden aan de riem hebben gehouden, zowel als diegene die begrijpelijker wijze hun honden alsmaar straffend verbieden om dingen achterna te jagen, deze allemaal zullen waarschijnlijk zeer teleurgesteld worden als zij hun onervaren huisdier voor het eerst loslaten achter een kunsthaas aan. Hij zal waarschijnlijk slecht of helemaal niet lopen. Of zelfs misschien wel zeer goed en dan zichzelf blesseren uit over-enthousiasme en onervarenheid.

Een onervaren coureur die een bocht neemt met een sportauto met een onvoorbereid onderstel en op slappe banden kan wachten op een ongeluk.

Ras expert Norah Hartley citeert de 19de-eeuwse deerstalker Augustus Grimble: 

‘Jonge Deerhounds zijn geneigd om roekeloos te zijn’.

Daarbij benadrukkend dat door zijn enthousiasme de jonge onervaren Deerhound vaak zichzelf in gevaar kan brengen door ongelukkige situaties of agressief wild, totdat hij leert hoe hij het hert het veiligst kan aanvallen.

Een hedendaagse deerstalker, Kenneth Cassels met een verwijzing naar zijn eigen Deerhound is het daarmee eens:

‘Ik ontdekte dat zij moest leren om een hert te nemen, instinct was niet voldoende’.

Alle honden moeten geschoold worden door de ervaring. Hoe ze moeten omgaan met terrein en hoe ze het wild het beste moeten dwingen en aanvallen. Grimble’s tijdgenoot, de Amerikaanse jager Van Hummel zei het zo:

‘Het is niet nodig om een Deerhound te trainen voor coursing. Alles wat nodig is, is om hem op het wild te wijzen en dan los te laten. Het is altijd het beste om een pup, samen met één of meerdere oudere honden mee te nemen, die zullen het wild grijpen en zo de pup leren het wild achterna te rennen en dan te doden’.

In feite bestond Van Hummel’s eigen ‘training’ simpelweg in het jagen van herten wanneer de bouw van de pup het toeliet, rond ongeveer 12-15 maanden oud. Maar dat was pas na de lichamelijke training vanaf ongeveer 9 maanden; begeleid galloperen achter een paard of koets. Van Hummel ging er van uit – net zoals hedendaagse eigenaren van haas-coursende Deerhounds – dat de prikkel van het zien, de geur, de snelheid en het levend wild zelf, genoeg opwindend is om iedere hond mee te lokken.

Dat is echt niet het geval met de kunsthaas.

Opdat de kunsthaas niet de hond ‘bijt’ die volgt, door het onverwachts te dwingen een scherpe wending te maken en zodoende zijn schouder misschien verrekt, zorg dan dat jouw Deerhound voorbereid is. Leer hem, als hij een kunsthaas tegen komt, het onverwachte te verwachten.

Een slecht ontworpen parcours en ongelukkig voordraaien van de haas kan zelfs een sterke Deerhound kwetsen. Beiden is genoeg om iedere windhond te ontmoedigen.

Geestelijke en lichamelijke voorbereiding kunnen helpen dit te voorkomen.

Kenneth Cassels die hoofdzakelijk verantwoordelijk was voor de opleving van competitie haas-coursing na de Tweede Wereld Oorlog in het Verenigd Koninkrijk voor rassen anders dan de traditionele Greyhounds, in het bijzonder voor Deerhounds, maakte wat opmerkingen over kunsthaas-coursing toen hij dat voor het eerst meemaakte in de tijd dat echte haas-coursing in Engeland nog heel gangbaar was:

‘Kunsthaas-coursing is geen vervanging voor het echte. In bepaalde opzichten worden de rollen van prooi en windhond omgekeerd. Bijvoorbeeld in plaats van dat de honden de prooi dwingen, dwingt de kunsthaas de honden. De meeste Deerhounds vinden dit heel verdacht, hoewel kleinere rassen dit misschien wel kunnen aanvaarden. En dan moet natuurlijk de kunsthaas zo klein en soepel zijn om langs de klossen te kunnen worden getrokken, dat het geheel niet realistisch kan zijn. Er is een wereld van verschil tussen twee windhonden die al hun zenuwen en pezen inspannen achter een levend prooi, en een hond die vlot achter een stuk plastic rent. Als het aangenomen wordt dat kunsthaas-coursing geen vervanger kan zijn van echte coursing, dan kan het wel een leuk uitstapje zijn voor hond en eigenaar. Maar als de honden het niet serieus nemen, wat is dan het nut? Misschien als jouw pup nooit een haas of konijn heeft gezien, hij echt heel jong over korte afstanden begint en dat je dat opbouwt, dan zou je het hem kunnen leren dat hij met echt enthousiasme achter een kunsthaas aan rent. Toch moet het gezegd worden dat een paar achtervolgingen van de kunsthaas op vlakke grasvelden geen proef zijn voor windhonden die ontwikkeld zijn om het rode hert te jagen over het ruwe terrein van de Schotse Hooglanden’.

Cassel’s inzicht is absoluut juist dat Deerhounds beter kunnen worden als ze vanaf een jonge leeftijd getraind en ingeprent worden op de kunsthaas. Serieuze lichamelijke training volgt later wanneer zij de leeftijd bereikt hebben als ze het echte veld in gaan. Zijn vraag betreffend hun schijnbaar gebrek aan serieuze bedoelingen heeft misschien betrekking op hun eigen welzijn.

Als ze rennen op een beheerste wijze, is dat waarschijnlijk een aanwijzing dat ze zich afvragen wat dat gekke ding nu gaat doen of omdat ze gewoon wat lol hebben – het doel tenslotte van kunsthaas-coursing.

Het benadrukt misschien zelfs de stelregel dat wanneer enkele van de beste kunsthaas atleten ‘kunsthaas-verstandig’ zijn geworden, ze voor hun ervaring en het anticiperen door de juryleden gestraft kunnen worden.

Hedendaagse Engelse haas-coursing enthousiasten hebben de gelegenheid gehad om 45 coursing seizoenen met Deerhounds op de blauwe en bruine haas, mee te maken. Een deel van deze coursings werden gehouden op terreinen in Schotland die serieuze gevaren konden opleveren. Ernstige blessures, zelfs af en toe dodelijke ongelukken, kunnen daar veroorzaakt worden door draad hekken, rotsen, bodeminzinkingen en steil hellend terrein, bedekt met heide. Hun ervaring met de talloze pogingen van de honden om hazen te pakken bij hoge snelheid, leert ons dat de volgende gevolgtrekking van Peter Lowe, VS jurylid van kunsthaas-coursings, ernstig fout is:

‘Als meer Schotse Deerhounds aan kunsthaas-coursing mee zouden doen dan zouden er waarschijnlijk een heleboel gebroken botten zijn. Ze hebben gewoon niet genoeg bot voor de lengte van hun poten. Ik weet dat er uitzonderingen zijn … Ik hoop dat kunsthaas-coursing het ras kan helpen’.

Men kan worden vergeven voor het geloven van dit vreemde idee omdat de oorsprong hiervan ligt in de ongelukkige ervaring van één man en zijn hond, Steve Copold en zijn Deerhound Gus, die beide voorpoten brak tijdens haas-coursing, niet kunsthaas-coursing, zoals hijzelf heeft beschreven in HoundsHares & Other Creatures.

Copold had al daarvoor in een tijdschrift (1975), drie jaar na de oprichting van competitie kunsthaas-coursing in de VS, en lang voor die uitspraak maar wel in tegenspraak met Lowe, het volgende geschreven:

‘Ik kan niet met een goed geweten Deerhounds aanbevelen voor haas coursing, maar als ze als pup begonnen zijn, kunnen ze heel goed meedoen aan kunsthaas coursing. Velen van de ouderen tonen veel geestdrift. Het voordeel van de kunsthaas is dat bij de nieuwe ASFA regels, de honden niet in aanraking met de kunsthaas kunnen komen totdat de course is afgelopen en het haasje stilligt of nagenoeg stilligt, zodat voornoemde blessures niet kunnen gebeuren’.

Echter, als Copold zijn boek twee jaar later publiceert, laat hij dat negatieve advies over Deerhounds en haas-coursing weg. Hij had toen wel begrepen dat zijn theorie, hoewel goed bedoeld, alleen gebaseerd was op een voorbeeld van maar één ongelukkig hond en onjuist was … in ieder geval echt niet van toepassing op haas-coursende of kunsthaas-coursende Deerhounds.

Helaas was het idee van Peter Lowe enkel gebaseerd op twee gevallen van ”Deerhounds die hun voorpoot braken” op hetzelfde parcours, naar zijn idee zonder aanwijsbare reden en genoeg voor hem om te concluderen dat bijna een heel ras, met uitzondering van een paar bloedlijnen, in gevaar zou komen tijdens kunsthaas-coursing vanwege hun zwakke front. Dat is bespottelijk. Er zijn zeer, zeer weinig Deerhound ras kenners die dit soort helderziendheid bezitten van alle bloedlijnen van hun ras, laat staan van een ander ras.

Samengenomen zouden de twee conclusies een blijspel van fouten kunnen blijken te zijn – ware het niet dat het tragedies waren voor de betrokken eigenaren. Na grondig onderzoek bleek wel dat op de bewuste competitiedag een Deerhound een voorpoot had gebroken en de ander een kleine fractuur van de kop van de opperarm – beide, was me meegedeeld, veroorzaakt door gaten in de grond van het parcours.

Een sport die zijn ongelukken niet bijhoudt en grondig onderzoekt, kan een gevaar voor zichzelf worden.

Een voordeel van kunsthaas-coursing is dat vanwege de constante en gecontroleerde omgeving vergelijkingen/beoordelingen tussen verschillende courses en verschillende honden meer van betekenis zijn dan bij haas-coursing waar iedere course en iedere haas anders is. Een nadeel is dat door de grote hoeveelheid honden die hetzelfde traject afleggen, dat als er een gevaarlijke plek in het parcours zit, het risico op ongelukken dramatisch toeneemt. Bij haas-coursing in tegenstelling, heeft iedere course zijn eigen maar wel andere risico’s.

Wees gerust, er is absoluut geen bewijs dat Deerhounds hun poten vaker breken dan enig ander ras bij welke vorm van coursing dan ook. Breuken kunnen voor komen bij kunsthaas-coursing, waarschijnlijk gelijk of minder in aantal dan op het menselijke sportveld. De oorzaak zou dan waarschijnlijk te wijten zijn aan een combinatie van gevaarlijke bodem, slecht parcours, gebrek aan training en mogelijk verergerd worden door oude blessures bij een hond met slechte conditie.

Die twee verhaaltjes van Lowe en Copold zijn erg jammer en ik geloof mede dat ze averechts gewerkt hebben, zie bijvoorbeeld bij Curtis Brown, Dog Locomotion and Gait Analysis 1986 pagina 41:

‘Vele Deerhounds, duiken vanwege hun korte nek, boven op de haas, maar dat kan soms aflopen met een gebroken voorpoot’.

Ervaring leert ons dat dit soort ongelukken die Deerhounds kunnen hebben, typisch die zijn, die alle windhonden kunnen hebben en zijn het het resultaat van razend snel spelen en de echte jacht. Ze horen niet te gebeuren op het goed-gecontroleerde kunsthaas-veld. Wanneer kunsthaas-coursing toch probeert het echte te evenaren, en dat is onmogelijk, dan kan je er zeker van zijn dat blessures wel toe zullen nemen.

Mogelijk is de pijnlijkste schade, die u als eigenaar van een goed voorbereidde en getrainde Deerhound kan oplopen, aan uw ego. Als u wil scoren, zeg maar met een Best in Field (waarbij in de VS drie van de beste windhonden van de dag allen in één course lopen), dan heeft u het verkeerde ras.

De meeste Deerhounds hebben niet die doelbewuste kunsthaas-lust van bijvoorbeeld een Whippet. Zelfs dan kunnen de beste atleten tegen een muur lopen en op een gegeven moment onverschillig worden ten opzichte van de kunsthaas. Overbekendheid wil dat soms doen. De beste reden om te gaan coursen is voor het plezier van uw hond en uw eigen plezier daarin.

Weinige zullen nog weten dat Norah Hartley zelf ooit met haar Deerhounds meedeed aan competitie coursings. Ze is ermee opgehouden omdat zij geloofde dat de sport een verkeerd effect had op eigenaren en hun honden – honden die ontwikkeld waren om herten te vangen, geen hazen. Anastasia Noble, de andere beroemde Deerhound fokster, zette die visie in een breder perspectief:

‘Coursing Deerhounds zijn niet vergelijkbaar met Greyhounds betreffende snelheid en behendigheid. Zij lopen niet met hetzelfde enorme vuur en vanwege hun lichaamsgrootte draaien ze langzamer. Toch willen wij niet dat onze honden enkel haas-coursers worden, daarin zijn Greyhounds vanzelfsprekend de beste. Ook willen we niet het ras opsplitsen in coursing- en show-honden, want er is niet genoeg mogelijkheid om hazen te coursen en dat is niet hun echte werk. Wij doen het “faute de mieux” – omdat het ’t werkende vermogen in leven houdt en omdat zij ervan houden en daar houden wij ook van’.

Deze visie zal nu en in de toekomst kunnen worden gebruikt in verdediging van kunsthaas-coursing.

Deerhounds, de oude en de nieuwe, zijn geen Greyhounds. Ze rennen op verschillende manieren. Norah Hartley citeert de 19e eeuws veterinair, William Youatt over de “Scotch Greyhound”:

‘Hij voegt daaraan toe dat deze hond ook wordt gebruikt op hazen, maar hij heeft de neiging om slim te lopen (af te snijden) en wordt daarom in delen van het land geweigerd bij de inschrijving voor coursing weddenschappen’.

Daar kunnen wij ook de waarnemingen van Youatt’s tijdgenoot, de beroemde, kritische veelschrijver “Stonehenge” aan toe voegen, over het verschil van lopen tussen “Oud Schotse Deerhounds” en de “Schotse Greyhound” in de tijd dat bijna iedere belangrijke regio in het Verenigd Koninkrijk zijn eigen variëteit Greyhound had:

 

‘Niemand kan zeggen welke de Deerhound of de Greyhound is totdat zij geslipt worden hetzij op de haas of het hert. Dan is er een merkwaardig verschil in stijl te zien tussen de courser van de haas en die van het hert. Zij zijn even snel, maar de Deerhound loopt met zijn hoofd in de lucht en zijn lichaam hoog, klaar om een sprong te maken naar de keel, het oor of zelfs de dij van zijn prooi, terwijl de Greyhound, zijn hoofd dicht bij de grond heeft, laag ligt “ventre à terre” klaar om zijn prooi op te pakken, niet neer te halen’.

 

En dan van de Deerhound eigenaar die zowel haas als kunsthaas goed kent en wie de eerste waardevolle bespreking heeft geschreven over coursing-rasverschillen, Steve Copold:

‘Deerhounds in volle vaart zijn spectaculair. Voor hun grootte zijn ze vrij behendig, uitmuntend in een halve draai, hoewel wat langzamer in het herstellen van een volle draai. Een toegewijde Deerhound kan de meeste Saluki’s evenaren over een lange afstand’.

Om die hoogte van overgave in een volwassen Deerhound te bereiken is goede afstamming en een grondige voorbereiding nodig, de moed van de eigenaar om een onvolwassen hond zijn eigen fouten zelf te laten maken zodat hij zelfbescherming kan leren, laat de eigenaar terughoudend zijn dus niet over beschermend, en zodoende hem de mogelijkheid bieden om lichamelijk en geestelijk zijn maximale potentieel te bereiken. Zoals Barb Heidenreich dat schrijft:

‘Het komt neer op spierspanning, houding, doelbewustheid, voortstuwing van het gangwerk en een glanzend oog in tegenstelling tot die zoete schoothond-blik dat ook een groot deel van een Deerhound is’.

Norah Hartley adviseert:

‘Als ze ouder worden, moet de beweging geleidelijk aan toenemen totdat de volwassen hond alles kan doen wat de meest toegewijde eigenaar aan tijd en kracht ze bieden kan’.

Tenslotte moeten we niet vergeten hoe belangrijk het is dat Deerhounds niet geselecteerd waren voor de hazenjacht en ze werden toen het nog legaal was in het Verenigd Koninkrijk niet specifiek beoordeeld op het doden van de haas tijdens een coursing. Voor die juryleden die Deerhounds ‘bestraffen’ als ze bij afloop de kunsthaas niet schudden – alsof het mogelijk is plastic te doden – een ter zake doende citaat uit de oorspronkelijke rasstandaard;

‘Nek. – De nek moet lang zijn; dat wil zeggen van een lengte die past bij het Greyhound karakter van het ras. Een over-lange nek is niet nodig, noch wenselijk geacht, aangezien het ras niet hoeft neer te buigen voor zijn werk’.

Terwijl wild bijna altijd een onontkoombare aantrekkingskracht uitoefent op een jonge gezonde windhond, iets dat de kunsthaas niet kan, komt het weleens voor dat bij kunsthaas-coursing iets plaatsvindt dat bij echte coursing niet gebeurt. Dat is dat bij afloop, bij de ‘kill’, geen onderling geruzie over het dierlijk prooi plaatsvindt.

Toch is er een ongelukkige kant van de kunsthaas die afgunst kan kweken, de wil tot bezit nemen, in het bijzonder als het stil valt na een verhitte achtervolging. Dit kan leiden tot onderlinge agressie. Individuen van welk ras dan ook, die vijandigheid tonen vanwege de kunsthaas kunnen een ernstig smet werpen op de sport. Het is de verantwoording van iedere eigenaar om te zorgen dat zijn hond niet stoort. Dat is om te voorkomen dat de loopbaan van een andere deelnemer voortijdig beëindigd wordt. Dominant of agressief gedrag voor, tijdens en na de course, moet serieus ontmoedigd worden . Het is ongewoon voor Deerhounds op zo’n manier te storen of te intimideren – maar het kan gebeuren. Als je het ongeluk hebt zo’n hond te bezitten, dan haal je hem uit de competitie. Laat hem solo lopen waar dat mogelijk is. Het gemuilkorfd te laten lopen verhoogd gewoon de tolerantie van slecht gedrag op het veld.

Zoals de medestichter van ASFA, Lyle Gillette, eens benadrukte in een interview:

‘Een andere betekenis van kunsthaas-coursing was dat wij slechte karakter eigenschappen konden uit roeien omdat ze hier zonder muilkorf lopen. Als ze gemuilkorfd moeten zijn, ga dan maar naar huis. Als een hond zo slecht is dat hij gemuilkorfd moet worden om te kunnen lopen, dan wilde ik niet dat hij meeliep’!

De gedachte dat men dit soort gedrag kan beheersen of genezen met muilkorven is net zo fout als de gedachte dat je het uit een hond kan slaan met geweld. Men kent zijn eigen hond en hoe hij zich gedraagt ten opzichte van andere honden, en als dan het vermoeden oprijst dat hij een ander kan aanvallen op het veld, blijf dan weg. Aan de andere kant, als een eigenaar ervan overtuigd is dat zijn hond straks slachtoffer kan worden, bijvoorbeeld door een grommende tegenloper aan de start, slip hem dan niet. Als het gebeurt tijdens een course, pak hem dan zo vlug mogelijk op. Je zult dan niet de meest geliefde persoon op het veld zijn, maar dan heb je de voldoening dat je jouw hond geholpen hebt, mogelijk heb je nog erger voorkomen, en je hebt een duidelijk signaal afgegeven aan een onverschillige eigenaar van een delinquent.

Juryleden, ras- en renverenigingen, in het bijzonder eigenaren die hun eigen specifieke verantwoordelijkheden ontkennen om agressie van het veld te verbannen, doen ieder ras een onrecht en dit ras in het bijzonder vanwege zijn geroemde karakter.

‘Snelheid, uithouding, moed, kracht en gewicht, zijn de vereiste coursing eigenschappen’.

Aldus MacNeil of Colonsay, 150 jaar geleden, zoals geciteerd door Norah Hartley. Hij was de Deerhound beschermer en coursing enthousiast pur sang. Enthousiasme werd vanzelfsprekend geacht. Vandaag heeft kunsthaas-coursing voor duidelijke redenen niets te zeggen over moed en kracht, en heel weinig over echte uithouding. Des te meer heeft het wel wat te zeggen over enthousiasme – bij gebrek daar aan bestaat de sport niet.

Er zijn tien stelregels die na jaren ervaring hun waarde hebben bewezen bij de voorbereiding van windhonden voor de renbaan en het coursing veld. Zij hebben voornamelijk te maken met het bevorderen van de eigenschap: enthousiasme, verlangen naar de kunsthaas, haas-lust.

Denk eraan, dwang bevordert niets.

Wen jouw pup voor korte perioden aan ren en coursing activiteiten.

Hem daarbij constant belonen om zijn zelfvertrouwen te bevorderen.

Begin met korte rechte stukken achter de haas en dan de afstanden geleidelijk opbouwen.

Laat hem als beloning altijd de haas pakken.

Wees behoedzaam, laat een hond pas een heel parcours lopen als het ongeveer 9-12 maanden oud is, afhankelijk van zijn vermogen en conditie.

Zorg ervoor dat jouw hond absoluut haasvast is voordat het met een andere hond loopt.

Laat honden niet samen spelen met de haas, dat kan agressie belonen.

Als het niet lukt met een plastic haas probeer het dan met een stuk vel.

Laat jouw hond nooit meelopen als hij niet geestelijk en lichamelijk volkomen gezond is.

Begin met jouw pup zo gauw dat hij zich helemaal thuis voelt bij jou, door hem aan te moedigen bij het achtervolgen van een zacht speelgoedje aan een touwtje. Als je meerdere pups hebt, laat ze niet als een groep samen lopen, dat kan dominant of onderdanig gedrag bevorderen. Moedig hem aan in zijn enthousiasme en verlangen om de haas te pakken maar doe dat dan voor maar een paar seconden om moeheid en verveling te voorkomen. Dit speelgoed of haasje is alleen voor deze spelletjes bedoeld en wordt iedere keer daarna goed opgeborgen. Maak in de komende maanden het touw steeds iets langer en als je er buiten plaats voor hebt, maak het dan vast aan een hengel of lange stok. Niet overhaasten, altijd jou pup aanmoedigen en zichzelf laten belonen door de haas te pakken.

Alleen als hij totaal op zijn gemak is en absoluut haasvast, bij zeg maar een leeftijd van 9 maanden of zo, laat hem dan samen lopen met een vertrouwde en veilige hond waarvan je zeker bent dat hij geen ruzie zal maken over de kunsthaas. Doe het opnieuw, weer een keer, en nog eens, maar alleen eens per dag. Een paar keer goed gelopen is niet genoeg bewijs. Vermijd de verleiding om jouw hond te trainen door het een andere hond te laten achtervolgen, daardoor kan je hem misschien leren om speels de ander te hinderen, of nog erger.

Met zijn superieure snelheid, behendigheid en kracht had een Deerhound maar een paar minuten om een hert te vangen. Hooguit drie tot vier, daarna passeerde hij zijn anaerobe drempel en was daardoor te langzaam en te moe om zijn werk goed te doen. De gemiddelde courseduur voor moderne Deerhounds tijdens competitie op de haas, volgens Stable en Stuttard, was tussen de 60 en 90 seconden. Kunsthaas-coursing kan vergeleken worden met de laatste fase van haas-coursing. Voor die inspannende en snelle sprint moeten ze lichamelijk getraind en voorbereid zijn, dit door onderling spel, interval training, wandelen, joggen, rennen en fietsen alsook renbaan- en coursingtraining wat uitstekende sprintoefeningen zijn.

Bronnen:

Patricia Gail Burnham: An interview with Lyle & Phydelma Gilette ‘Rancho Gabriel’ Sighthound Review November/December 1992.

Kenneth Cassels: A Most Perfect Creature of Heaven – The Scottish Deerhound 1997.

Steve Copold: Running Techniques and Movement in the Sighthound Breeds as Related to Open Field Coursing The Gazehound July/August 1975.

Steve Copold: Hounds Hares & Other Creatures: The Complete Book of Coursing 1977.

Norah Hartley: The Deerhound 1972.

Barbara Heidenreich: Deerhounds and Exercise, Your Scottish Deerhound Primer 1989.

Q. van Hummel: The Scotch Deerhound, The American Book of the Dog. G.O. Shields 1891.

Peter Lowe: FAN Interview Field Advisory News January/February 1992.

Anastasia Noble: Deerhounds, Coursing – The Pursuit of Game with Gazehounds R. Grant-Rennick 1976.

Owen Stable Q. C. & R. M. Stuttard: A Review of Coursing 1971.

“Stonehenge”: British Rural Sports 1877.

Als naschrift is het interessant om op te merken dat Steve Copold ook nog een stukje schreef, “Voorpoot fracturen bij de Schotse Deerhound”, in de Amerikaanse Deerhound Newsletter van mei/juni 1975, en dat beide, de redactrice Cecilia Arnold en Anastasia Noble in hun antwoorden de alinea uit de rasstandaard aanhaalden, over de nek van de Deerhound. Steve kreeg geen steun voor zijn veronderstellingen in de Deerhound Newsletter noch de opvolger daarvan, The Claymore. Sommige lezers zoals Florence Atkinson uiten hun angst voor coursingongelukken in het algemeen, sommige lezers zoals John Wiley en Gerri Akman waren een uitzondering, zij maakten bezwaar en veroordeelden zijn idee. Gerri merkte op, “Ik heb gehoord dat hij zijn theorie heeft herroepen.”

De meest sprekende stem van ervaring was die van Anastasia Noble die na 20 jaar ervaring met competitie haas-coursing in het Verenigd Koninkrijk, in de Newsletter van november/december 1975 schreef dat Steve het fout had en dat hij uitzonderlijk veel pech had met zijn hond (‘J-Mar’s Gus of Ardkinglas – N.B. niet uit de Ardkinglas kennel).

Helaas ging Steve niet in op Anastasia’s argumenten en hield vol aan zijn theorie en publiceerde het in zijn boek van 1977. Dat was hetzelfde jaar waarin hij schreef aan The Claymore van mei/juni:

‘Gus, moet ik zelf toegeven, was een van de fysiek-armste vertegenwoordigers van het ras die ik ooit gezien heb, toch is hij erin geslaagd drie herten neer te halen’.

Dat hij die theorie ook nog liet staan in zijn nieuwe editie van The Complete Book of Coursing 1996 was geloof ik niet een zaak van overtuiging maar eerder uit onverschilligheid. En dat is jammer want er is zoveel van echte waarde in dat boek. Peter Lowe was een kans gegeven om zijn theorie te verdedigen of te herzien, maar bedankte door te verwijzen naar een citaat uit zijn interview van FAN in 1992:

‘Mijn commentaar werd gekleurd door het zien van ongelukken waarbij twee Deerhounds een voorpoot braken, terwijl ze renden over grond die helemaal vlak was, en klaarblijkelijk zonder een grote val te maken. Het was versterkt door discussies met een fokker die mij liet weten dat het ras problemen heeft met zeer zwakke fronten. Dat was de staat van mijn kennis toen. Ik weet dat er bloedlijnen zijn waar dat niet het geval is’.

Jammer is dat hij die fokker niet wilde noemen, en wij kunnen niet onder de indruk zijn van zijn gebrek aan kennis van een ras die hij zelf niet bezit noch goed kent, zeker gezien zijn eigen opmerking uit datzelfde interview omtrent zijn eigen ras:

‘Toen ik minder ervaring had dan nu, dacht ik dat ik een Saluki kon bekijken en zijn bouw kon beoordelen en dat relateren aan zijn ren-vermogen. Ik ben zo vaak bedrogen uitgekomen, dat ik die beweringen niet meer maak’.

Richard Hawkins

 

 

Met dank aan Annemiek Hawkins en Caroline van Zanten voor hun nauwkeurige redactie van deze vertaling! 

 

Archief